Mapuche-land en ander moois.
31 januari 2025 - Santiago, Chili
29 dec. 2024.
Als we besluiten om net voor het nieuwe jaar even de Carretera Austral te verlaten, weten we nog niet dat ons een leuke oudejaarsdag te wachten staat. Net als andere jaren zoeken we wat beschutting op omdat we niet weten hoe oud en nieuw ter plekke wordt gevierd. Onze bestemming: Futeleufú. Een dorp aan het, als je tenminste het land niet wilt verlaten, einde van 63 km. lang zandpad. En wat voor een zandpad. De weg klimt en daalt en slingert zich door een adembenemend mooi landschap. De rivier Rio Futeleufú, met haar vele stroomversnellingen, was leidend. Van de rivier wordt gezegd dat er op de wereld geen andere is die, als je van raften of kanoën houdt, meer uitdaging en spektakel biedt. Veel "rappids", stroomversnellingen vallen in categorie IV of V. En dat schijnt nogal een uitdaging te zijn.
De rivier ligt op vele plekken onder ons in een diep dal. Aan de andere kant bergen met daarop sneeuw. Wat een knap stukje vakmanschap moet het toch zijn geweest dáár een weg aan te leggen. Net voor het dorp stoppen we nog. Een mooie plek aan de rivier. We kamperen er en genieten van het ruisende water.
De volgende ochtend maken we ons weer klaar voor een fikse wandeling. De weersvoorspelling voor later op de dag is niet best maar bij vertrek schijnt de zon. We klimmen over een smal pad door een dicht woud omhoog. Boven zou een Azul-blauwe laguna op ons wachten... De lucht betrekt en we stijgen. Tot in de wolken. Regen. Het is dat, na 4 uur, een uit plaatselijk hout gezaagd hekje ons laat stoppen bij een bordje ""Laguna Espolón". Was dat er niet, dan zouden we niet weten op het eindpunt te zijn. De regen en de mist nemen alle zicht weg. We verwachten een zware afdaling. Het pad is steil. Rotsen, zand, modder, boomwortels. En dan ook alles nog zeiknat. Net als wij, als we terug bij de bus komen. Nat tot op, of beter, ín de onderbroek. Onze schoenen kunnen we leeg gieten. Maar met droge kleren en een trui aan kijken we terug op een mooie "hike" zoals we dat onder mekaar noemen.
Hebben we de afgelopen tijd nog maar weinig Nederlanders getroffen, op onze kampeerplek voor de komende dagen zijn er genoeg. Al gauw blijkt dat er nog een stuk of 6 zijn. Als Marianne op oudejaarsdag begint met het bakken van de oliebollen,
dromt iedereen zich rond de pan en wordt er gesmuld: Recht uit het vet! Marianne krijgt leuke en spontane reacties. Mensen zijn verrast híer oliebollen te kunnen eten. Ook de anderen op de camping genieten mee van de Nederlandse traditie en deze lekkernij. Later op de avond verzamelen we ons en proosten om middernacht op het nieuwe jaar. Is leuk zeg. In het dorp blijft het stil. Geen vuurwerk. Misschien is er geen 118 miljoen euro, zoals in Nederland uitgegeven aan vuurwerk, beschikbaar....Geen ambulance medewerkers die belaagd worden. Vernielingen. Niemand gooit vuurwerk naar de politie of brandweer: niks. Wel knuffels en beste wensen van wildvreemden.
Niet onvermeld mag blijven de nieuwe ontmoeting met - intussen onze "travel-maten" Frederiek en Josephine. Een Belgisch koppel voor het eerst ontmoet plm. een jaar geleden in Frans Guyana. Aan de andere kant van het continent. Ze rijden in een stoere Iveco 4x4 al een paar jaar door Zuid Amerika. Bij ons afscheid toen, maakte we al een afspraak elkaar volgend jaar ergens in de buurt van Ushuaia te zien. Een paar weken geleden begint whatsapp te piepen, en wat blijkt: we naderen elkaar. We zitten beiden op de Carretera Austral. Zij komen vanuit het noorden, wij vanuit het zuiden. In een winkel vinden we nog een paar "Belgische biertjes". Staat op het etiket tenminste....In een piepklein dorpje in het zuiden van Chili ontmoeten we elkaar, trekken de biertjes open en kletsen we lekker bij. Het is gezellig. Maar niet dat alleen. Vriendschappen die op deze wijze ontstaan met mede-overlanders zijn echt waardevol. We kijken naar elkaar uit. We volgen elkaar in onze blogs: polarsteps, reislogger, find pinguïns, persoonlijke websites, etc. We zien elkaar zeker nog eens ergens onderweg naar of in Alaska. Die afspraak staat.
Een paar dagen later rijden we weer verder naar het noorden. Naar het einde van de Carretera. Of het begin. Het is maar waar je begint. Het is nog ongeveer 200 kilometer. Maar hiervoor moeten we ook nog 3 keer op een veerboot. 2 Stukjes van een uur en nog eentje die een uur of 5 duurt. Op het kaartje op de foto kun je het zien.
Als we op de ferry’s staan kun je wel zien waarom hier geen weg is. De hellingen komen bijna loodrecht uit het fjord. En dat tientallen kilometers lang. Daar een weg aanleggen is vrijwel onmogelijk. Je zou dan zoveel berg moeten wegblazen om een beetje weg te kunnen maken. En bovendien: het is niet zo druk. Met die ferry’s gaat het best. Die lange moet je van te voren boeken als je er zeker van wilt zijn dat je mee kunt. Die andere 2 varen een aantal keren op een dag en kun je zo oprijden. Toen we hier 15 jaar geleden waren konden we deze route niet nemen en moesten we een flinke omweg maken door Argentinië. Als gevolg van een aardbeving waren delen van het gebied onbegaanbaar. Je ziet nu soms op plekken nog hoe verwoestend dat toen moet zijn geweest. Enorme “sporen” met puin, rotsen en hout dat van de berg gekomen is.
Als we in Puerto Montt aankomen moeten we weer wennen aan de drukte. Dagen genoeg gehad dat we maar 10 auto’s zagen. Nu hebben mensen weer haast. Ze toeteren als ze zo’n trage vakantieganger met buitenlands kenteken voor zich hebben. Ook is er aan de weg in vergelijking met 15 jaar geleden, hard gewerkt. Meer als de helft is nu geasfalteerd. Fijn voor de locale bevolking hier. Maar voor ons? Nee, geef mij maar de gravelweg. Zodra die weer begint, waan je je direkt weer op de Carretera Austral. Smal, bomen dicht aan de weg, bos, reuzebladeren, varens, mossen. Heerlijk. En wat kom je dan ook zomaar tegen: aan de weg een kleine poel. Hot spring. Lekker warm water. Nou, kleren uit en badderen maar.
Een paar kilometer verder stuiten we nog op een wandeling. Er zouden “Alerces” te zien zijn. Uniek, zo dicht aan de weg. Het zijn reusachtige bomen behorend tot de Cipres familie (met de wetenschappelijke naam Cupressaceae), van wel 2000 jaar oud en de hoogste inheemse boom (tot 50 meter) in deze regio. De bomen zijn heel indrukwekkend. Omdat ze groeien in zeer vochtige gebieden met vochtige en moerassige bodems is de stam bedekt met mos. Eigenlijk gaat de onder begroeiing naadloos verder in de begroeiing van de planten en de mossen op de stam. Omdat het hout licht is, zeer sterk en bestand tegen rot en insecten zijn veel van de bomen gekapt. Veel huizen zijn met dit materiaal bekleed: z.g. “tegels”: rechthoekige stukken van 80 x 20 cm en een halve centimeter dik die dakpansgewijs op de verticale muren worden gespijkerd. Geweldig. Verder lees ik dat het hout als betaalmiddel werd gebruikt, de hars werd gebruikt als wierook bij religieuze ceremonies en het binnenste van de bast, daarvan werd z.g. “larixtouw” gemaakt waarmee boten werden “gebreeuwd”. Weet je niet wat “breeuwen” is? Wikepedia is mijn vriend: “In de scheepsbouw wordt de handeling van een combinatie van in pek gedrenkt henneptouw tussen 2 planken van de houten romp “breeuwen” genoemd om het binnendringen van water te voorkomen”. Het gevaar van uitsterven van deze boom bracht de Chileense regering ertoe om de soort in 1977 tot natuurmonument te verklaren. Sinds dat jaar is het verboden levende exemplaren te kappen.
Waar was ik. Oh ja, Puerto Montt. Het is een flinke stad. Ze telt ongeveer 250.000 inwoners. De stad is gesticht in 1853 tijdens de Duitse kolonisatie van Zuid Chili. Na de onafhankelijkheid van Spanje in 1818 focuste de politiek zich op migratie. Migratie was nodig om economische groei te bewerkstelligen en er zijn mensen nodig om de grenzen te bewaken. Het zuiden was zeer dun bevolkt. Vooral in de 19e eeuw zijn er dan ook grote groepen Duitsers, Oostenrijkers en Hongaren op uitnodiging van Chili het land binnen gekomen. En bovendien hoopten ze daar op een beter leven. De stad groeide sneller dan andere steden in de omgeving vanwege de strategische ligging aan het einde van de Chileense vruchtbare vallei en vóór het veel moeilijker begaanbare Zuiden van Chili. De streek is bekend vanwege zijn visserij en zalmkwekerijen in de fjorden en de nabij gelegen Stille Oceaan. Voor de zalm bevinden zich hier de broederijen, visserijen en de verpakkingsfabrieken. Verse zalm wordt dagelijks naar wereldmarkten gevlogen en bevroren zalm wordt over zee naar alle bestemmingen verscheept. Cultureel gezien zie je in de stad een mix van Chileens-Spaanse en Duitse elementen in architectuur, kunst en straatbeeld. Begin 1900 hebben ook groepen Nederlanders zich in Chili gevestigd. Het waren hoofdzakelijk boeren. Als ik nu google op Agroberichten/buitenland/Chili, dan lees ik dat de handelsrelatie met Chili groeit. Er zijn exportkansen op het gebied van genetica, automatisering en duurzame agrotechnologie. Chileense producenten zijn ook op zoek naar beter uitgangsmateriaal in de groenten- en fruitteelt bijvoorbeeld.
In de stad doen we ons allemaal tegoed aan nieuwe schoenen. De bus 2 paar en wij ieder één. De banden van de bus zijn echt op. 50.000 km waarvan minstens de helft onverhard heeft zijn tol geëist. 2 banden zijn werkelijk tot op de draad versleten. Op de foto zie je hoe onze reserveband er uit ziet.
De andere is niet beter. De laatste 200 kilometer zonder reserve banden rijden was een beetje spannend. Maar het is het gokken waard. We hebben tot nu toe nog maar één lekke band gehad. 3 jaar en 100.000 km. Banden van BF Goodrich A/T. Zijn ze goed of niet. Ook koop ik er weer een nieuwe schapenwollen trui. Het scheelde maar een haartje of ik had weer exact dezelfde gekocht als toen, 15 jaar geleden; ik trek weer een grijze aan maar “de zwarte staat je beter”. Dan de zwarte maar. Zo gaat dat nou eenmaal. Op de markt eten we in de loop van de middag de fameuze lokale vissoep. Het sopt over de rand. Zo veel. Het avondeten slaan we dit keer maar over.
Als we uit Puerto Montt vertrekken komen we terecht in een heel andere omgeving. Waren we eerder “opgesloten” in het ontoegankelijke, tussen de bergen met haar besneeuwde toppen, het ruige en het regenwoud, nu is de omgeving open en ziet het landschap er lieflijk uit. Weilanden, bosschages, koeien op de heuvels en nog meer schoons. Er is nogal wat veeteelt, er wordt volop gehooid en moderne trekkers met idem hooibouw machines en pakken-persen komen ons tegemoet. Omdat de kolonisten ook de zaden mee uit Europa namen, zie je dezelfde grassoorten en (on) kruiden als bij ons. Maar oorspronkelijk was het gebied met dicht oerwoud bedekt en transport over het meer speelde in de 19e eeuw een grote rol bij de ontsluiting van het gebied. Het waren voornamelijk Duitse kolonisten die de boskap en de openlegging van het gebied voor hun rekening namen en de landbouw en veeteelt introduceerden. De Duitse tradities zijn hier en daar nog terug te vinden op de reclame borden langs de weg: “Kuchen” en “Cabañas am See.
Al een flinke week zien we, waar we ook zijn een flinke vulkaan zijn besneeuwde top trots tonen. Soms bóven de wolken uit. Het is de vulkaan Osorno. Het gebied is vulkanisch hier met meerdere vulkanen en we besluiten naar Parque Nacional Vincente Perez Rosales te gaan om er maar weer eens eentje te gaan beklimmen. Het hele gebied rond het meer is een grote wildernis, met dicht beboste hellingen die hoog uit het meer oprijzen. Het park omvat ook het grote onregelmatige Lago Todos los Santos, dat met zijn onwerkelijk groene kleur door velen als het mooiste Chileense meer wordt beschouwd. Het is prachtig weer. De boterhammen en het blikje sardientjes vergezellen ons weer en we maken een prachtige tocht. Van die dikke vliegen, ze lijken op horzels bij ons, vergezellen ons ook door nogal hinderlijk om ons hoofd te zoemen. Met een takje zwaaien helpt maar het hoort erbij. “Wie mooi wil zijn moet pijn lijden” of zoiets. Pas de uitdrukking een beetje aan en hij is ook hierop van toepassing.
Bij deze vulkaan blijft het niet. Vanaf half tot eind januari blijven we in een gebied waar de ene vulkaan zich naast de andere toont. Het is op de grens met Argentinië, dicht tegen de Andes. Op sommige “Miradors” zien we wel 5 vulkanen om ons heen. De foto’s die zijn bijgevoegd zijn dan ook bijna allemaal van verschillende vulkanen. Er zijn er hier zo veel omdat “aardplaten” hier bewegen. Het gebied is daardoor ook aardbevingsgevoelig (in de nacht van 27 februari 2010 werd Chili getroffen door één van de 10 zwaarste aardbevingen ooit gemeten op aarde: 8 op de Schaal van Richter). Maar omdat de platen bewegen en die beweging hitte veroorzaakt die materiaal doet smelten, wordt “Magma” gevormd. Die magma, de gloeiende massa, wil eruit, drukt zich omhoog en vormt een rij van vulkanen. De aarde wordt daarbij opgedrukt. Gaat als het ware “plooien”. Het is heel indrukwekkend dit te zien. Wat een kracht moet dat zijn geweest en wat moet er met die brokken lava “gegooid” zijn. Alles verwoestend moet het zijn geweest. Dorpen, bos, akkers en weilanden, alles werd bedolven onder vloeiend gesteente…
De lava als gevolg van de vulkaanuitbarstingen hebben ook grote stuwwallen opgeworpen. Daarachter verzamelt zich water en zo zijn er in dit gebied ook vele meren ontstaan. De meren zijn ook allemaal weer met elkaar verbonden door prachtige rivieren. Aan die rivieren kun je op de mooiste plekken kamperen. Dat doen we graag en zoeken vaak van die plekken op. Tegen het einde van de dag komen er ook altijd mensen uit het nabij gelegen dorp naar zo’n plek. Om te badderen, te vissen of gezamenlijk te eten. Hele families vaak. Hier leven de Mapuche’s. Dit zijn de oorspronkelijke bewoners van dit gebied. Indianen. Beoefenen naast het Christendom ook nog hun eigen (natuur) religie uit. Voor ons, en ik zeg dit uit en met alle respect, zijn ze herkenbaar: ronde gezichten en een sterke gelooide huid en pikzwart, stijf steil haar. Ik zou er denk ik trots op zijn Mapuche te zijn maar toch twijfel ik of ik het vragen zal aan een vader van een gezin dat we treffen aan de rivier. Ik probeer het en stel me aan hem voor. Op mijn voorzichtige vraag op hij tot de Mapuche-stam behoort beantwoordt hij bevestigend. Richard is vader, werkt bij de politie en zijn ouders en voorouders komen uit deze streek. Hij wil er ook blijven wonen. Zijn kinderen ook. Altijd. Het is hun geboortegrond en alles wat hier groeit en bloeit is het gevolg van hun inspanningen. Er wonen nu ook Chilenen in dit gebied en daarmee samenleven is geen enkel probleem. Ook gemengde families zijn geen uitzondering. Dan spreek je van “Mestiezen”. Ook bij de politie heeft hij Chileense collega’s en de scholen waarop de kinderen zitten zijn ook gemengd. “De strijd is eeuwen geleden gestreden” zegt Richard: “Toen hebben mij voorouders gevochten. Eerst tegen de Inca’s, later tegen de Spanjaarden en 150 jaar geleden nog tegen de kolonisten. Vaak Europeanen of Amerikanen die hier onze ontgonnen en vruchtbare gronden wilden inpikken. Wij werden beschouwd als 2e rangs burgers”. Een paar honderd jaar geleden zijn er grenzen getrokken waarbij afspraken zijn gemaakt over gebieden die voor de Mapuche’s behouden zouden blijven. De rivier BioBio is bijvoorbeeld zo’n grens. De “Frontera” wordt die ook wel genoemd. Maar spanningen zijn er nog steeds: Begin deze eeuw bijvoorbeeld wilde de Chileense regering een waterkrachtcentrale bouwen en daarvoor moest een dam worden aangelegd die een gebied onder water zette. En in dat gebied bevond zich een Mapuche begraafplaats. Pas in de jaren 1990 is er weer meer aandacht gekomen voor hun situatie. Nog steeds zijn er Mapuche gemeenschappen betrokken bij conflicten over land en inheemse rechten.
We zoeken BioBio rivier eens op en rijden enkele dagen door dit verlaten gebied en zien de kleine Mapuche-communities. Eenvoudige huizen vaak uit hout of golfplaat opgetrokken. Het zijn nu vaak boeren die vee houden. We zien nogal wat koeien en schapen. Voor het houden van dieren hebben de Mapuche’s veel oerwoud gekapt. Omdat er destijds nog geen wegen waren of machines om het hout te bewerken is er veel ter plekke verbrand. De as is vruchtbaar en weilanden ontstaan. Later worden stoommachines ingezet die de houtbewerkingsmachines aandrijven. Die oude machines kom je nog op vele plekken tegen. Trouwens, ook nu nog ossenkarren hoor. We komen er een tegen: 2 dikke ossen, 1000 kg. each, komen heerlijk op hun gemak aansloffen. Ze trekken een houten kar met boomstammen. Daar bovenop ligt wel een Stihl kettingzaag. Prachtig!
Een paar dagen later komen we plotseling in een dorp op de markt terecht. Er wordt een markt opgezet en iedereen probeert hier weer wat geld te verdienen. Huisgemaakte jam, fruit en artisanes. Ook veel 2e hands kleding hier. Dat valt echt op. Overal zie je de stalletjes. Maar ook varkens aan het spit. Hiervoor is een stuk staat afgezet. Op het asfalt ligt een dikke laag lava as en daarop liggen de kolen. Een barbecue van wel 10 meter.
Vanuit dit dorp gaan we de volgende dag Parc National Conguillio in. We beklimmen weer een krater en maken een wandeling die misschien wel als de mooiste tot nu toe in de boeken kan: Prachtig bos, eerst sprookjesachtig met vrij liggende wortels en veel mos aan de stam en takken, later uitsluitend van die magische slangendennen. Schitterend. Ik nodig je uit een eindje met ons mee te lopen. Open daarvoor het filmpje. Het houdt niet op. En weet je: die slangendennen hebben een bast die tegen de hitte van een vulkaanuitbarsting kan!
Wat is de natuur toch prachtig. Naar deze boom is zelfs een Provincie benoemd: Araucaria. Door de Spanjaarden werden de Mapuchi in dit gebied Araucanos genoemd. De boom is een levende fossiel. Kan duizenden jaren oud worden. In de tuin van het huis aan de Stationsstraat in Wamel, waar ik mijn puberteit heb doorgebracht, stond zo’n boom of beter, een verre neef ervan. Heb hem scherp in beeld. Aan de voorkant, rechts in de hoek naast de vijver tegen de border van de tuin van Sam en Hennie. Ik heb hem altijd afschuwelijk gevonden. Maar hier zijn ze meer dan prachtig.
In het gebied van de rivier BioBio blijven we een paar dagen hangen. Op I-Overlander staat een mooie route maar we weten niet of we die kunnen nemen. Hij schijnt nogal uitdagend te zijn en er is een tunnel van 3.50 hoog en 3 meter breed met een nogal rotsachtige bodem. “Zullen we gaan kijken of het lukt” zeg ik tegen Marianne? En die is zo flauw niet. Gaan met die banaan. We parkeren de auto een paar honderd meter voor de tunnel. Daar is het nog breed genoeg om te kunnen keren als het niet past. We lopen de weg af en zien een prachtig bouwwerk. Wat een mooi tunneltje zeg.
Uitgehakt en hier en daar, aan de sporen te zien, is er ook met dynamiet gewerkt. We kunnen er niet doorheen. De ondergrond is erg ongelijk en de kans dat we schade rijden is te groot. Helaas pindakaas. Terug in de auto zien we een mooi alternatief. Onder ons verbindt een redelijk nieuwe brug de ene oever van de BioBio met de andere. “Die weg moet toch ergens heengaan” zegt Marianne. Op de kaart en in de navigatie is het allemaal niet zo duidelijk. Het witte lijntje wordt een stippellijntje. Toch maar doen. De weg is redelijk en je kunt zien dat er onderhoud is gepleegd. Het gebied is wonderschoon. Er staan geen huizen en de hele ochtend zien we niemand. Na een kilometer of dertig is er een “Fundo”. Dat is hier de naam voor een boerderij. Eerder was dat Finca, Estancia of Chacra. De gebouwen zijn eenvoudig. Er omheen honderden hectaren grasland. Ooit zijn ook hier de bomen gekapt. Het is verder verlaten en we zien alleen een paar mannen die een dak aan het repareren zijn. Ook zo’n ouwe stoommachine en daarvoor stap ik uit voor een fotootje.
Aan de andere kant van de straat staat een man bij zijn auto. Ik loop er naar toe en maak een eenvoudig praatje. Hoe gaat het met u, wat is het hier mooi en meer van dit soort dingen. Ook, en dat doe je veel vaker als je iemand treft: hoe is de weg. “Mas y meso”. Dat betekent: gaat wel. “Aqui allá algunas piedras grandes y arena suelta”. Hier en daar wat grote stenen en los zand, begrijp ik. Maar, zegt hij vervolgens, wijzend op een gedeukte personenauto die zojuist volgeladen voorbij komt, ”als die het kan, kun jij het ook”. Dit is altijd belangrijke informatie. De locals weten of het gaat. Maar ook of er toevallig gister een aardverschuiving is geweest of een berg stenen op de weg is terecht gekomen. Ik begrijp ook nog dat ik bij de vulkaan moet uitkijken: de weg heeft scherpe bochten en de afgrond is diep! Oh ja. We rijden verder en inderdaad flinke stenen waar je omheen moer manoeuvreren en los zand. Maar da’s mooi! Hoe meer, hoe beter. De Sprinter bromt van geluk. Op sommige plekken is het zand helemaal kapot gereden. Een zandkorrel in 1000 stukjes. Het is dan niet meer dan stof. Hoe dat eruit ziet? In Afrika noemden we dit Fesj-fesj. Doe de stofbril op als je naar het filmpje kijkt.
Als we in de buurt van de vulkaan komen zien we op de navigatie dat er flink wat haarspelden aankomen. Wat we dan zien is niet te beschrijven. Toch doe ik een poging. Links en rechts van ons enorme brokken lava. Wat zal er toch een kracht zijn geweest om deze brokken hier te krijgen. Als we stijgen wordt de lava steeds fijner en het uitzicht weidser. Het lijkt of we op de maan rijden. Marianne heeft er een videootje van bijgevoegd.
En wat zo raar is, we zien ook skiliften. Ja, in de winter kun je hier ook skiën. Vanaf een vulkaan ja. We besluiten de vulkaan vandaag niet op te gaan. Er is een mooie wandeling naar de krater. Doen we morgen en nestelen ons voor de rest van de dag en nacht weer op een uiterst mooi plekje beneden aan de rivier. Moederziel alleen. En het is vandaag woensdag: Macaroni! De dag kan niet meer stuk.
Als we de volgende dag opstaan regent het en de weersvoorspelling is niet best. We gaan het anders doen. Ik moet aan deze blog werken en nog wat andere administratieve dingen afwerken. We zoeken een plek met wifi en aan het werk. De volgende dag bleek dat een dagje wachten niet verkeerd is geweest. Blauwe lucht en een lekker zonnetje. Wij op pad. Alsof we op de maan liepen. We zagen toen we boven bij de krater stonden onze auto op het randje staan. De wand van de krater is warm. Het is een soort vloerverwarming. Hier en daar komt nog rook uit de gaten. Een paar uur hebben we hier rondgesjouwd. Hoe is het toch allemaal ontstaan zo. We kijken onze ogen uit. Maar, zei Martin Bril ooit: “je mist meer dan dat je meemaakt”.
De afgelopen weken zijn we in noordelijke richting niet zo veel opgeschoten dus besluiten we dat het daarvoor nu tijd wordt. We willen half februari de grens met Peru over en hebben in Santiago-stad wel enkele dagen nodig om onderhoud aan de bus te doen en voor het regelen van nog wat dingen. Langs de weg zien we een bord “Queso”, en wat blijkt? Een Française is daar neergestreken en heeft een kaasmakerij. We kopen heerlijke Camembert en andere kaasjes. Mevrouw vertelt ons ook dat we in de streek die we nu gaan doorkruisen op onze hoede moeten zijn. Er zijn spanningen tussen de Mapuche gemeenschap en de regering. Er zijn demonstraties en wegversperringen. “En waar gaat het over” vroeg ik. Eigenlijk gaat het altijd over hetzelfde: autonomie en landverdeling.
We gaan richting kust. Het landschap verandert. Was het eerst weelderig groen, het wordt nu droger en zonniger. We komen in de Centrale Vallei, het gebied dat de tuinbouwproducten voor de hoofdstad verbouwd. Ook de nachten zijn minder koud. Vandaar de tuinbouw. In mijn eigen groentetuin wilden de gewassen ook pas echt gaan groeien als het ’s nachts boven de 12 graden was. Ook veel graan en mais. Melkkoeien.
Als we aan de zee enkele nachten op verschillende plekken kamperen zien we ook weer dat mooie verschijnsel dat de Chilenen eropuit trekken met de hele familie. Het is hier zomervakantie. Ze nestelen zich dan op het strand. Tentjes dicht tegen elkaar, liefst onder een boom en altijd een vuurtje.
Verder naar het noorden doorkruisen we het gebied waar de druiven groeien voor de befaamde Chileense wijnen. Ook ander fruit zien we hier in moderne en grootschalige omstandigheden tot wasdom komen.
In Santiago-stad gaan we weer voor groot onderhoud aan de bus. We maken een afspraak bij Mercedes en de dag ervoor moet ik eerst ook zelf nog even onder de auto. Om bij het voor-cardan te komen moet de beschermingsplaat verwijderd worden. Ook wil ik een kachelslang vernieuwen. Hier niet echt nodig; het is 33 graden, maar voor later?
Behalve de gewone grote beurt, filters (olie, diesel, lucht en interieur) vervangen en olie verversen, is het nu -na 3 jaar en 100.000 km- ook tijd voor het vervangen van álle andere vloeistoffen: olie automatische transmissie, voor- en achter cardan, remvloeistof, olie stuurbekrachtiging en koelvloeistof. Zal wel wat kosten. Maar ja, we willen wel graag dat ons huis blijft rollen. Als onze auto aan het einde van de dag nog niet klaar is, kunnen we er wel in overnachten. Onbegrijpelijk hoe dat hier gaat. We zijn hier in een zeer moderne garage van Mercedes. Het Centrale filiaal. De grootste vestiging in de stad. Er werken hier 400 mensen en er wordt tegelijkertijd aan ongeveer 100 auto’s gewerkt. En wij kunnen, tussen de andere auto’s in de werkplaats, gewoon in onze auto om de nacht door te brengen. De bewaking wordt geïnformeerd, Er is een toilet, een douche. Is in Nederland, alleen al als buitenlander, onmogelijk lijkt me. Als de monteurs de volgende ochtend weer binnen komen pakken we ons bundeltje op en gaan we naar de wachtkamer. "Heb je mooi tijd weer aan je blog te werken. En vergeet niet iedereen de groeten te doen" zegt Marianne. Klopt. Ik klop de laatste alinea's erbij.
31 januari 2025, tot de volgende keer.
Bert.



















































.
Keep going strong!
Heel veel liefs van ons!🤠😘
Frederik en Josephine
Radio Baobab
Fijne reis verder !