De uitdaging van de Transamazonica.
31 mei 2024 - Vilhena, Brazilië
De Transamazonica, een deel daarvan is de BR 319, is een weg in Brazilië die dwars door het Amazone Regenwoud van Brazilië loopt. Het is het gebied waarover in Europa, maar ook wereldwijd veel te doen is: Het zijn “de longen” van de wereld. En het wordt bedreigd. Door de ontbossing omdat er veel vraag is naar tropisch hardhout. Maar ook wordt het bedreigd door (illegale) mijnbouw en de oprukkende landbouw en veeteelt. De weg wordt vanaf 1972 aangelegd door de Braziliaanse overheid mede om bovengenoemde activiteiten te faciliteren. Het Amazonegebied, dat voor Brazilië erg belangrijk is, is slechts beperkt toegankelijk. De ter ontsluiting voor het (vracht)verkeer aangelegde weg is 5000 (!) kilometer lang. Het stuk dat wij afleggen, van noord naar zuid is 870 km. Minder dan 200 kilometer heeft een verhard wegdek en is het grootste gedeelte van het jaar onbegaanbaar.
Bovenstaande informatie lees ik op internet als we begin deze maand onze verdere reis aan het voorbereiden zijn. Als we aan het avontuur beginnen nemen we afscheid op onze bijna laatste overnachtingsplek in Suriname. Het is een “uitspanning” aan de Cola Kreek gerund door vader en zoon. Als we ernaar op zoek zijn en we een vermoeden hebben dat we er zijn wijst toch niets op een plek waar je kunt verblijven. En toch is het zo als ik de man die naar ons toe komt lopen vraag of we hier kunnen overnachten. Meneer woont met zijn zoon in een, laten we zeggen, hut. Erin hangen hangmatten en her en der liggen heel veel spulletjes.
De zoon, Dion, neemt ons mee naar de Kreek. Die is prachtig. In de vorige blog haalde Marianne de Cola Kreek reeds aan. Water met de kleur van cola.
Dion heeft een verstandelijk beperking en komt een paar keer een praatje maken. Hij is een oorspronkelijke bewoner van het gebied. Een Indiaan. Hij kent het oerwoud op zijn duimpje zegt hij trots. Hij praat met de vlinders en “als die 3 rondjes draaien komen er gasten”. Dion heeft ook een “kostgrondje” gebrand. Een groentetuin. Daarvoor wordt een stukje oerwoud in de fik gezet, de bomen verbranden, vallen om of worden omgehakt. Ik ga samen me hem kijken. Ik vergeet voor het gemak maar even -en snel- hoe ik een en ander destijds in mijn eigen groentetuin aanpakte. Het is er een wir-war aan omgevallen bomen. “Hoe moet dit ooit goed komen” denk ik met mijn Hollandse nuchterheid. Het duurt ongeveer 7 jaar voor het “in cultuur” is. Intussen is hij al begonnen vertelt hij. Ik zie een paar peper plantjes en een bananenboompje. Kniehoog.
Later komt vader ook nog kijken. Hij vertelt over zijn camping en manier van leven. Een keer per week gaat hij naar het eerste verderop gelegen dorp en doet hij boodschappen. “Je hebt niet veel nodig”, zegt hij “als je in het oerwoud woont. Hier is alles wat je nodig hebt: Kruiden, fruit, groenten, medicijnen”. Ik vraag hem of t’ie misschien ook een varken houdt. “Domme vragen bestaan niet” wordt ons altijd voorgehouden. Maar aan zijn gezicht te zien is dit toch echt een hele domme vraag. “Waarom zou je zelf een varken houden dat je moet voeden en waarvoor je een hok moet timmeren, als je ze ook in het bos kunt schieten”. Oja.
De voorzieningen op onze kampeerplek zijn minder dan eenvoudig. Een tent met een gescheurd dekzeil en verschillende getimmerde scheefgezakte hokjes met elk een kapotte toiletpot. We zullen er geen gebruik van maken. Het oerwoud om ons heen biedt ons volop mogelijkheden. Er zijn veel kampeerders en camperaars die de campings selecteren op de staat van het sanitair. Wij zijn dit punt al lang gepasseerd en zijn al blij als er koud- water-ergens-uit-een-pijpje komt. Soms, dat ook nog. Zo gaat dat hier. En het werkt, als je als uitbater tenminste geen goud geld wilt verdienen (wij betaalden € 3,00 voor 3 nachten) maar tevreden bent met de inkomsten om te kunnen eten en een nieuwe gasbom (gasfles) te kunnen kopen. Wij zijn door de week en de enige gasten. Maar in het weekend komen de mensen uit Paramaribo hier recreëren. Het is er heerlijk rustig.
Als we vertrekken is het gelijk feest. Na 300 meter wordt de weg versperd door een bosje boomstammen. Die moeten wel weg. We kunnen er niet langs. We hebben slechts een handzaag. Zagen is geen optie. We maken de lier in orde en lieren de hele handel aan de kant.
We rijden richting de grens met Guyana, vroeger Brits Guyana. We passeren dorpen als Groningen en Wageningen. De weg die ook weer langs de rivier loopt, is vroeger de handelsweg geweest waarover de producten zoals suiker, cacao en koffie naar Paramaribo werden vervoerd. Ook hebben in dit gebied veel “Boeren” gewoond. Nederlanders die ver na de slavernij daar aan de kost probeerden te komen. Het werd hen door de lokale bevolking niet altijd in dank afgenomen. Ze zouden het verkeerde voorbeeld geven; je gaat als witte immers niet zelf op het land werken. Dichter naar de grens met Guyana komen we in een gebied waarin rijst wordt geteeld. Akkers onder water, de puntjes van de planten er net bovenuit. Op andere akkers wordt geoogst. Niet de modernste dorsmachines op rupsbanden zien we aan het werk. Door een ingenieus irrigatie- en afwateringssysteem wordt tegen de oogst de waterstand aangepast zodat het land te bewerken is. Maar het blijft nat hoor. De combines, tractoren, de kiepkarren, alles zit van onder tot boven onder een dikke laag modder. Die modder richt ook veel schade aan. Bijna geen enkele trekker heeft nog een spatbord of motorkap. Wat moet het werken in de rijsvelden zwaar zijn. Petje af. De bedrijven worden bijna allemaal gerund door Hindoestanen. Ze staan er bekend om harde werkers te zijn.
Ook hier weer wordt Suriname door een brede rivier, de Courantyne Rivier, van het buurland Guyana gescheiden. Er vaart 1 x per dag een pont. Wie het eerst komt het eerst maalt. De pont vertrekt om 10 uur in de ochtend en wij zijn de 5e auto in de rij als we op het einde van de middag arriveren.
’s Avonds sluiten er nog een paar auto’s aan en de rest komt de volgende morgen vroeg. Er kunnen ongeveer 20 auto’s mee. Als ik de auto’s die voor ons opgesteld staan ’s middags eens op mijn gemak bekijk, vraag ik me af of ze het allemaal nog wel doen… Mijn oog valt op een auto waar volgens mij helemaal geen motor meer in zit. Nou, wat blijkt de volgende ochtend: Op deze route is ook openbaar vervoer in van die kleine busjes. En die kunnen natuurlijk, met hun passagiers, niet de avond van tevoren in de rij gaan staan om zeker te zijn van een plek op de ferry. Nee, die nemen, als ze ’s morgens arriveren, de plaats in van zo’n wrak. Vooraan in de rij. Slim. Die jongens krijgen daar zeker een vergoeding voor. Zo kun je dus ook je geld verdienen.
Bij het binnenrijden van Guyana voel je gelijk een hele andere sfeer.
Er wordt hard gewerkt, veel gebouwd en je ziet veel activiteit. Mooie, geschilderde en goed onderhouden huizen ook. Later spreek ik hierover op onze overnachtingsplek met een man. “Hoe komt dat”, vraag ik. En benoem het verschil met Suriname. “Wij hebben perspectief” zegt hij. “Economisch gaat het beter. We hebben olie en de mensen zien kansen”. Het verkeer is druk en de straten smal. Ook hier rijden we links. Als we de volgende dag vertellen dat we naar binnenstad willen “lopen”, worden we met grote ogen aangekeken. 4 Kilometer! Dat doet niemand hier!
De 2e dag, 10 mei, ben ik jarig. We besluiten in de stad te gaan lunchen. We kijken naar de lucht. Die ziet er niet heel stralend uit maar toch “Paraplu maar thuis laten he” zeg ik tegen Marianne. Goed, “dan nemen we ook geen regenjas mee”. We zijn nog maar net op weg, en het begint me toch te regenen. We hebben niet eens tijd een schuilplaats te zoeken. Maar ja, een bietje nat of niet en ik ben immers jarig, we gaan door. We zijn doorweekt maar het is gelukkig niet koud. “Het droogt vanzelf weer op” zeggen we tegen beter weten in tegen elkaar. Maar de regen houdt aan en we besluiten toch maar om te keren. Terug naar de bus. Droge kleren aan en in de namiddag een nieuwe poging. De verjaardags maaltijd is heerlijk. We hebben gesmuld: in een straattentje Roti kip. Eigenlijk afhaal, met veel bakjes, zakjes en tasjes. Maar we kunnen het daar opeten. Het biertje erbij kopen we in de winkel van de buurman.
De volgende dag vertrekken we. We rijden de stad uit en verbazen ons over de koeien die gewoon in de stad tussen de huizen lopen. Er is overal wel wat te grazen.
Er is maar een weg om Guyana uit te komen naar Brazilië. In de stad nog voor een paar dagen boodschappen doen, geld trekken, tanken en de watertank vullen. We willen goed voorbereid aan onze tocht beginnen. Omdat we hier geen kraan kunnen vinden die drinkwater geeft, zijn we aangewezen op van die grote 20-literkannen. Die gieten we dan over in onze bus. Een winkelbediende helpt me. Omdat de vuldop van de watertank lijkt op die van de dieseltank, vraagt hij me; “loopt de auto op water?”. “Ja” zei ik en hij wist niet hoe hij het had. Later vertel ik dat dit water voor binnen is. Ons huis. Voor de afwas, douche etc. Hij lijkt het niet te begrijpen en ik open de schuifdeur om hem binnen te laten kijken. Hij grijpt naar zijn hoofd: “Jesus Christ”.
We gaan rijden. Na 200 kilometer houdt het asfalt op en ontrolt zich een lang modderig rood lint voor onze ogen. Het heeft geregend. De waterplassen glinsteren in de zon. Je kunt je nauwelijks indenken dat dit de hoofdweg is.
We kunnen ongeveer 20 kilometer in een uur afleggen. Aan weerskanten dicht oerwoud. “Niet te geloven dat we hier zijn” zeg ik tegen Marianne. Na zo’n 60 kilometer het eerste checkpoint. Het is Moederdag en we worden halt gehouden door 3 vrouwelijke politieagenten sterk. In eerste instantie stuurs en autoritair. Geleidelijk ontdooien ze en zijn ze geïnteresseerd in onze reis. Bij het vertrek: “You have mothersdaypresent for us?”. Nee, dat hebben we niet. We worden vrolijk uitgezwaaid. De volgende dag weer een ferry. Die in Kurukukari. Gelukkig zijn we goed geïnformeerd. Het kaartje voor de ferry moet je kopen in Georgetown. Heb je geen kaartje, kun je terug. 250 Km. Op de ferry spreek ik met een taxichauffeur. “Over 3 jaar is de hele weg geasfalteerd” zegt’ie. Ik ben blij voor de locals. Ook voor de mensen die met transport hun geld moeten verdienen.
Maar niet voor ons. Het avontuur verdwijnt ermee. Als we aan de overkant zijn hebben we Guyana verlaten en zijn we weer terug in Brazilië. We rijden weer rechts. Da's even wennen weer.
Verderop wordt het oerwoud open en een heuvelachtig gebied doemt op. We hadden dit nog niet verwacht maar hier wordt de eerste ontbossing al zichtbaar. Ranches met koeien. Veel koeien. De weg is goed te doen. De regen blijft uit. Hier en daar wat modder of een vrachtwagen die vaststaat en wacht op de eerstvolgende vrachtwagen. Die zal hem immers lostrekken want anders kan die zelf ook niet verder. We gaan over veel bruggen. In totaal wel 30 denk ik.
We komen nog een camper tegen. Aan de kant met pech. Als je zo’n brug oprijdt, of eraf, moet je oppassen. Je valt dan in een kuil. Je moet dan oppassen dat je voor- of achter-cardan de grond niet raakt. Bij die bus is dat gebeurd. Plug eruit gereden, kwijt, draad beschadigd. Alle olie weg. En dan? Eerste beetje stad verder 450 km, eerste stad terug 340 km. En hoe kom je aan nieuwe olie? Nou die kun je als je geluk hebt wel vinden bij zo’n klein restaurantje die je aan de weg vindt. Meneer kruipt eronder en in gunstig gestemd. Een nieuwe plug van hout maken denk ik en elke 50 km. controleren. We wensen ze succes en krijgen nog gauw een fles wijn in onze handen gedrukt.
We overnachten midden in de Amazone bij een soort zandafgraving. Daar net om het hoekje is een plek waar je uit het zicht van de weg staat. Het is er rustig en we luisteren naar de oerwoudgeluiden: vogels kondigen ons bezoek aan, papegaaien die krijsend overvliegen, kleine dieren die wegschieten en ’s avonds een concert van krekels en andere luidruchtige beesten. We slapen heerlijk. Doorgaans worden we om een uur of 6 wakker. Een ontbijtje en daar gaan we weer. Het is droog en de weg is redelijk. Veel vrachtverkeer en ook van die grote Braziliaanse vrachtwagens. Treinen. Met 2 opleggers, 9 assen. De bruggen zien er in onze ogen gammel uit, maar het gaat allemaal. Ook voor deze grote jongens. Papegaaien vliegen over. Later Toekans. Je weet wel, van die van de Valk vogels. Als je die in Nederland in een kooitje ziet, of in de dierentuin, rood, groen, blauw, moet je ervoor oppassen dat je niet vergeet dat die hier gewoon rondvliegen. Krijsend, boven je hoofd. Soms tientallen op een dag.
Na een paar dagen komen we aan in Lethem. Een grote stad midden in het oerwoud. Brede asfaltwegen, ruim opgezet. Ruimte zat! Grote gebouwen huisvesten winkels en bedrijven op grote percelen grond. We overnachten in het stadspark. Als we de volgende dag verder rijden komen we in Parque Nacional do Virua. We maken er een pittige wandeling en de volgende dag nog een. We kamperen bij de Rangers van het park. Ze onderhouden het park. We zien ze met de kettingzaag planken zagen uit boomstammen. En balken. Strak en overal even dik. Forse lengtes. Doen wij ze niet na hoor!
De volgende dag komen we aan in Manaus. Een grote geïsoleerde stad. De hoofdstad van de Amazone. 4 Miljoen inwoners.
Vanuit het westen en oosten alleen over water, de Amazone rivier en de Rio Negro, bereikbaar. Vanuit het noorden en zuiden over land. Dichtstbijzijnde grote stad naar het Noorden 850 km, naar het zuiden 900km. De weg naar het noorden is inmiddels grotendeels geasfalteerd. Naar het zuiden niet. Daar beginnen wij overmorgen aan. Dat is de beruchte BR 319.
Als ik erover spreek met de locals wensen ze me veel succes en “muchos aventuros”. De stad ligt aan het water en leeft er ook van. Veel dagelijkse benodigdheden komen met kleine schepen van heinde en verre. Op de kade staan tientallen kleine vrachtwagentjes te wachten om de goederen die per boot worden aangevoerd op de plek te krijgen. Je ziet ook veel eenvoudig getimmerde huizen op en aan de rivier.
In de stad zijn veel zwervers. Veel mensen uit Venezuela die de armoede daar ontvluchten. Ze eten uit vuilnisbakken en slapen op straat. Je loop er letterlijk omheen omdat je niet over de mensen heen wilt stappen. Het voelt heel gênant als je dat doet. We bezoeken de markt en het “Teatro Amazonas” en hebben er een rondleiding. Mooi hoor. Wat een pracht en praal. We wonen een repetitie bij van het Philharmonisch Orkest. Die wordt onderbroken omdat een kind huilt. De muzikanten kunnen zich niet concentreren.
De bouw ervan is in 1881 begonnen. Uit heel Europa werden bouwers, architecten, schilders en kunstenaars ingehuurd om er te komen werken. Die brachten ook hun eigen materialen mee. En dat is nog duidelijk terug te zien. Prachtig versierde plafonds
en in het hele gebouw mooie muurschilderingen. De grote zaal is eenvoudig maar de foyers rondom zeer luxe.
5 verdiepingen. Hoe hoger hoe duurder terwijl je bovenin nog nauwelijks kunt zien wat er zich op het toneel afspeelt. De straatstenen rondom het gebouw zijn speciaal gemaakt van een zand-rubber mengsel zodat de optredens niet verstoord konden worden met de voorbijrijdende paardenkarren. In de jaren ’80 van de vorige eeuw is het gebouw volledig gerestaureerd. Het heeft veel te lijden onder het vochtige klimaat en de dreiging van termieten. In 1990 wordt het Amazonetheater heropend.
De problematiek van vluchtelingen en het feit dat Manaus een havenstad is en jan-en-alleman er binnen komt brengt ook veel criminaliteit mee. Diefstal, zakkenrollerij, berovingen etc. We zijn een paar dagen in de stad en verblijven in een eenvoudig hotel. Tegen vijven willen we gaan eten. Overdag hebben we al ons oog laten vallen op een paar restaurants. Als we daar naar terug gaan zijn ze al gesloten. Overal mensen druk in de weer met luiken of houten schotten en hangsloten. Veel hangsloten. Alles wordt hermetisch afgesloten. Niks meer open. We besluiten dan maar een brood te kopen, een blik vis en een pot olijven. Dat lijkt ons avondeten op de hotelkamer te worden. Als we later over de reling van het balkon hangen zien we de duisternis invallen. Mensen zo lijkt het, op weg naar huis. Dan zien we een man aankomen. Heuvelop, kromgebogen duwt hij een handkar de berg op. Op de kar lijkt een vuurtje te smeulen. “Zie je dat?” vraag ik Marianne. Behalve smeulende kooltjes is er ook een stapeltje stoelen op de kar geladen en wat tafeltjes. Onder ons zet hij de kar in de goot en loopt weg. Even later komt hij terug. Nu duwend aan een winkelwagentje vol met dozen, schalen en plastic bakken. Alles wordt uitgeladen en opgesteld tegenover ons hotel op de stoep en binnen 5 minuten ontstaat uit het niets een “restaurant”. Toch nog uit eten. Gesmuld hebben we. € 5,00.
Om Manaus te verlaten gaan we weer een veerboot op.
Een paar maanden geleden staken we de Amazone rivier naar het noorden over. Door die rivier delta in die hangmatten. Misschien weet je dat nog. Nu steken we weer deze rivier over. Maar nu naar het zuiden. Hier geen delta. Wel een brede rivier. De overtocht duurt ongeveer een uur. Er komen hier wel 2 rivieren samen: de Amazone en de Rio Negro. Dat water is zwart gekleurd. Dat van de Amazone is bruin. We kunnen zien waar de rivieren bij elkaar komen. Er is echt een scheidslijn in waterkleur te zien die veroorzaakt wordt doordat de ene rivier sneller stroomt dan de andere en ze daardoor niet mengen.
Aan de andere kant van de rivier is het asfalt op. Het begint goed. Voor ons staat een rij vrachtwagens stil. We sluiten aan maar een vrachtwagenchauffeur wenkt ons. Wij kunnen door. De voorste zit vast en erlangs loopt een eng modderspoor. Meer een soort modderbad en ik schakel de 4x4 in. Ach, geen centje pijn. Da’s jammer. Op veel plekken wordt aan de weg gewerkt. Waar eerst grote putholes (gaten in de weg) waren is de weg nu opgehoogd en verhard met grove puin en gravel. De werkers werken 20 dagen achterheen op en af. Ze slapen en eten in eenvoudige onderkomens. Een grote open tent met veel palen waaraan alle hangmatten bevestigd zijn. Met zo’n 50 man in een tent. Niet zo moeilijk.
De weg is breed maar heeft vaak maar 1 spoor. Komt er een tegenligger? Tsja, je beoordeeld de piste buiten het spoor. EN de maat van de tegenligger! Maar ziet de piste naast het spoor er goed (genoeg) uit, dan maak je ruimte maar zorgt wel dat je blijft rollen…Soms allebei een beetje. Het lukt altijd wel. Het stuk waar we nu rijden is tussen oktober en april onbegaanbaar. Halverwege de middag leggen we aan bij een “Possada”. Een restaurantje. Wifi en stroom. Ook wc en douche. Of dat het niks is. Kost niks. In ruil daarvoor besluiten we er een biertje te gaan drinken, het is immers vrijdagavond en er een hapje te eten. Zal ik raden wat? Rijst met bruine bonen en kip. Fout. Geen kip maar gebakken ei. De volgende keer een lekker carbonaatje denk ik. De varkens lopen er gewoon door het restaurant.
De volgende dag rijden we verder. Het landschap is mooi. Het oerwoud is weer terug, het is heuvelachtig met vele mooie doorkijkjes.
Veel water met palmbomen er in. Een dag later weer compleet anders. Woest grasland links en rechts en veel moeras. Ook gekapt? Hier en daar een hut. En honden. Dat wil zeggen dat we weer in bewoond gebied komen. We naderen een dorp en na 572 km. kunnen we weer tanken. We hebben nog een kwart maar tanken opnieuw vol. De laatste kilometers asfalt met gaten. Je slalomt van links naar rechts. Vaak rij je naast de weg omdat het daar beter is. We slapen bij een “Posto”. Dit is een plek bij een benzinepomp. Veel truckers overnachten er. Het zijn grote terreinen en je bent er altijd welkom.
Als we de volgende dag over goed asfalt verder naar het zuiden rijden kijken we terug op de afgelopen dagen. Goed weer, uitdagende route, prachtig landschap en een oversteek door een gebied die je niet dagelijks doet. Ik vergelijk het een beetje met de oversteek door de Sahara zoals we die vroeger deden in Afrika. Als je dat gehaald had…Al met al dus goed door het Amazone Regenwoud gekomen. Geen noemenswaardige problemen en het allerbelangrijkste: We hebben de boel heel kunnen houden. Vastzitten en glijden is leuk, maar je weet niet waar je uitkomt of wat je tegenkomt. We geven elkaar de high five (zoenen onder het rijden mag niet) en sluiten aan in de rij vrachtwagens die hier dagelijks in grote getale op en neer bulderen om het land te voorzien in alles. Alle transport gaat hier over de weg. En dat in een land dat zo groot is als van Portugal tot aan de Oeral. Er zijn geen treinverbindingen en er is geen grote (container) scheepvaart op de rivieren. Dat is niet mogelijk vanwege de grillige waterstand.
In Vilhena, waar we nu zijn, gaan we een paar dagen op rust. Het is hier wel koud! Een week geleden overdag nog temperaturen van 34 graden graden en ’s nachts 27, nu moeten we het doen met overdag 25 en ’s nachts 20. Nog steeds heerlijk natuurlijk. We zouden graag voor jullie wat van dit lekkere weer met deze blog willen meesturen. We halen het dekbed weer van stal. Gisteren hebben we weer op de parkeerplaats van een restaurant overnacht. Nee eergisteren. Toen we ’s morgens vertrokken kregen we broodjes mee. Zo aardig. En gister werden we bij vertrek overladen met fruit. Waar we nu staan: net kwam mevrouw ook met fruit, versgebakken wafels en 2 toetjes voor vanavond. Bofkonten zijn we. Als je dat maar weet!
Lieve groet van ons allebei.
Bert.








































Lekker genieten van jullie reis!
En de prachtige foto's erbij. Liefs uit Dongen.
Liefs
Anja